Frank Adam
   
De knikker van de Pelikaan
   
Uit: Dietsche Warande & Belfort, april 1991.


 

Het mulle zand van de landweg begon te koken onder Friekes blote voeten. Ook het metalen frame van haar fietsje schroeide haar billen.

‘Hoj!’ durfde ze eindelijk roepen naar de dikke jongen die gehurkt zat op de oever van de sloot.

Een tijd al had ze hem nieuwsgierig  staan bekijken. Hij was een vreemde vogel. Onder zijn brede mond slingerde een veel te lange, kwabberige kin, en zijn neus scheen tegen zijn gezicht geplakt. De Pelikaan, noemde mama hem altijd, maar dat mocht Frieke natuurlijk nooit verder vertellen.

Onophoudelijk wiegde zijn bovenlichaam naar voren en naar achteren. Er sijpelde een druppel speeksel uit zijn linkermondhoek. Van de inspanning waarschijnlijk, want hij had zich nog geen enkel ogenblik stil gehouden.

Ze liet haar fietsje vallen en deed een paar passen in zijn richting, tot bij de graskant. Misschien had hij haar niet gehoord.

‘Ik ken jou,’ lachte ze, jij heet Kris.’

Hij keek op, een beetje verrast omdat ze plots zo dichtbij stond. Zijn ogen hadden een matte glans. Vissenogen.

‘Jij bent de jongen die elke vrijdagavond moeders boekje in onze bus stopt.’

‘Ja en?’ schommelde hij verder, ‘wat is daar zo verkeerd aan?’

‘Niets!’ schrok ze, ‘niets.’ Ze hurkte zoals hij en wachtte een beetje tot hij er minder grimmig uitzag.

‘Ik mocht van mama nog een half uur rijden, terwijl zij het eten klaarmaakt.’ Ze twijfelde. ‘Is dat lang, een half uur?’

‘Dat is twee keer een kwartier.’

Ze keek beteuterd voor zich uit. Daar werd ze niet veel wijzer van, maar het had in ieder geval niet zo onvriendelijk geklonken als daarnet.

Met haar duim krabde ze hard over haar onderrug. Ze had haar truitje mogen uittrekken op voorwaarde dat ze zich met die vieze olie liet insmeren. Als je dan begint te zweten, krijg je overal jeuk.

Er stak een schepnet in het water.

‘Heb je al een vis gevangen?’

‘Een vis? In zo’n stinkbeek? Laat me niet lachen!’

‘Maar je hebt toch een schepnet meegebracht?’ wees ze. Het zwartbruine water leek heel sterk op haar smerige zonnebrandolie.

‘De mensen zijn zo stom om hier van alles in te gooien. Ik roer en ik pulk tot ik iets bovenhaal dat mij van nut kan zijn.’

‘En héb je al iets opgevist?’

Hij trok zijn schouders achteruit, draaide zich wat van haar weg en plette zijn kin tegen zijn borst.

Hij heeft iets kostbaars ontdekt, dacht ze, en ik mag het niet weten.

‘Heb je al een schat gevonden misschien?’

‘Een schroevendraaier en een knikker, noem jij dat een schat?’

Enigszins teleurgesteld herkende ze het roestige voorwerp dat tussen hen in lag. Papa gebruikte zoiets vaak in zijn werkkamer, hij kon er uren mee zitten prutsen. Laatst op zijn verjaardag kreeg hij zo een hele doos. En opgetogen dat hij was! Hij maakte een indianendans rond de keukentafel, kuste mama de hele dag door, en net vóór ze het licht op de slaapkamer uitknipten, was hij er nog naar aan het staren. Mama had het de volgende morgen aan de ontbijttafel verklikt.

Zelf vond Frieke die schroevendraaier maar een stom ding. Misschien was die knikker wel de moeite waard om te bekijken. Hij viel nergens te bespeuren.

‘Is het een mooie knikker?’ probeerde ze voorzichtig, ‘Mag ik hem even zien?’

‘Nee!’ snauwde hij, en hij begon plots harder te wiebelen.

‘Scheer je weg, je half uur is al lang voorbij!’ Er viel een druppel op zijn short.

Ze schuifelde achteruit. Het verwonderde haar dat ze niet echt bang meer voor hem was, ofschoon hij er afgrijselijk uitzag nu zijn gezicht rood kleurde van woede. Waarom moest hij zich zo dik maken om die domme knikker? Ze wou hem toch alleen maar even bekijken? Meer niet. En daarbij, hij had waarschijnlijk nog wel knikkers. Jongens hadden altijd knikkers in hun broekzak. Of nee, hij bewaarde ze in zijn mond, lachte ze ondeugend, zo een hele handvol. Daardoor zwol zijn kin en kon hij zijn speeksel moeilijk binnen houden.

Ze zette haar fietsje overeind.

‘Wat is er ineens zo grappig?’

‘Zit jij altijd zo te wiebelen?’ loog ze, want je kon iemand toch zomaar niet vertellen dat je met zijn gezicht aan het spotten was. ‘Kun je niet stil zitten zoals ik?’

‘Natuurlijk kan ik dat!’ verdedigde hij zich heftig in een brede speekselwolk, en krampachtig probeerde hij om rechtop te gaan zitten. Het lukte. ‘Zie je wel?’ Zijn kin lilde. ‘Of denk je dat ik gek ben misschien?’

‘Nee, nee, ik niet!’

Haar fietsje belandde weer in het zand. Ze wou nog wat blijven.

‘Hoe oud ben je?’ kwam ze op hem af, ‘ik ben zes jaar.’ Ze strekte alle vingers van haar rechterhand.

‘Pfff, ik ben veertien. En jij moet nog leren tellen want wat je daar toont is geen zes maar vijf.'

Ze ging liggen en schuurde haar rug over het gras om de jeuk te verzachten.

Hij had gelijk, echt tellen kon ze nog niet. Het was niet meer dan een trucje.

De weken vóór je verjaardag wordt er hard op geoefend zodat je de ooms en de tantes niet teleur moet stellen. Maar als die voorstelling eenmaal achter de rug is, haal je alles door elkaar en wil het wel eens niet meer lukken.

‘Vijftien jaar, is dat oud?’

‘Ik rijd al met een bromfiets, als je tenminste weet wat dát is.’

‘Natuurlijk,’ begon ze verontwaardigd, ‘mijn neef komt soms met...’

‘Eigenlijk mag dat nog niet,’ ging hij ongestoord verder, ‘maar ik doe het toch. ’s Avonds als het donker wordt, hier door de velden naar het bos. Daar is alles van mij. Daar springt alles en iedereen voor mij aan de kant.’

Ze keek vol bewondering. ‘Weet je wie ik ben?’

Duidelijk ongeïnteresseerd griste hij de schroevendraaier en hakte ermee in de grond.

‘Hoe zou ik dat nu weten?’

‘Ik zit altijd boven bij het raam als jij met dat boekje komt en ik wuif dan.’ Ze stulpte lichtjes haar lippen. ‘Maar jij wuift nooit terug.’

‘Als ik me bezig zou houden met elke domme gans die ergens achter glas zit te molenwieken, dan was ik de volgende ochtend nog niet klaar.’

‘Ik ben geen domme gans! Als ik dat aan mijn moeder vertel, mag je met dat prulleboekje ergens anders naartoe!’

De schroevendraaier plofte steeds dieper en sneller in het gras.

‘Alsof dat een ramp zou zijn? Ik kan me best wel redden zonder jouw moeder. Weet jij wel hoeveel brievenbussen ik op mijn lijst heb staan?’

Meer dan ooit wenste ze dat ze kon goochelen met cijfers. Je kon er mensen mee doen zwijgen, je kon er hen mee betoveren.

‘Drie-hon-derd tach-tig!’

Het klonk gewichtig. Uit zijn stem kon ze overduidelijk afleiden dat dat er veel meer waren dan je op al je vingers kon tellen.

Toen ze zich opnieuw in het gras wentelde, bleven de schichtige vissenogen voor het eerst iets langer op haar gericht.

‘Jouw gat zit anders ook niet veel stil, moet ik zeggen.’

‘Oh, maar ik heb jeuk,’ giechelde ze, ‘van de zonnebrandolie, dat is alles.’ Over de oorveeg die ze van mama tijdens het insmeren gekregen had omdat ze te veel mopperde, moest ze wel niet vertellen, want hij concentreerde zich inmiddels weer op zijn schroevendraaier.

‘Stop je graag die dingen in de bus?’

‘Dat hangt ervan af welke brievenbus het is.’

Ze hield op met schuren en steunde op haar ellebogen. ‘Zijn alle brievenbussen dan niet hetzelfde?’

‘Waarom stel jij altijd van die idiote vragen?’

Deze keer echter stoorde ze zich niet meer aan de norse toon waarop hij uitgevallen was. Ze raakte eraan gewoon. En bovendien boeide het onderwerp haar bijzonder.

Achteloos rolde hij de schroevendraaier van zich weg in haar richting, legde zijn armen op zijn knieën en staarde voor zich uit. Er verscheen een fonkeling in zijn ogen.

‘De meeste brievenbussen,’ begon hij plots, ‘bevinden zich naast het hek. Ze hebben ze in een silexstenen pilaartje verwerkt, en de spleet is zo nauw dat de bovenkant van je hand vol schrammen staat als je niet oplet. Het tegenovergestelde kom je ook wel tegen: spullen waar je met je hele arm in kunt duiken, zo tot aan je oksel.’

‘Ha! Daar zou ik wel in kunnen tot aan mijn buik!’ Maar hij sloeg geen acht op haar grapje. Daarvoor was hij veel te ver weg nu.

‘Of ze zijn van hout, plastic of metaal. Nu maak ik me daar zo druk niet over, maar in de winter is het alsof je je handen in een ijskast stopt.’

Hij begon weer te wiegen. Met de brandende zon en zijn stem die onverwacht zacht als een insect om haar hoofd gonsde, zou het voor haar niet moeilijk geweest zijn om even in te dommelen.

‘Maar bepaalde mensen laten hun  brievenbus inmetselen in de muur van hun huis. Soms hou ik ‘s winters mijn verkleumde handen drie minuten binnen. Het is er altijd iets warmer dan buiten. Niet veel, maar toch.’

‘Onze brievenbus is er zo één, niet?’ schoot ze wakker.

‘Ik zei je toch net dat ik je helemaal niet ken. Hoe kan ik dan verdomme weten hoe je brievenbus eruit ziet!’ Zijn stem klonk plots hees, zo hard had hij weer geschreeuwd.

Toch maar beter dat mama niets te weten kwam over zijn lelijke woorden, besliste ze. Misschien zou ze wel voor de rest van de dag in de tuin moeten spelen.

Maar zo’n vaart zou het wel niet lopen. Had ze papa al niet een paar keer horen vloeken als mama zijn platen voor de zoveelste keer niet op de juiste plaats weggeborgen had? Of omdat hij in de keuken op jacht moest omdat Frieke de kanarie weer had laten ontsnappen.

‘Dat witte huis op het einde van de straat, met een grote tuin,’ probeerde ze nog eens. Nu op dat slaperige toontje van mama als ze papa wou sussen.

Ook bij mij werkt het, stelde ze vast. Zijn gezicht ontspande. Alle vet scheen te smelten, stroomde langs zijn wangen naar beneden en vulde het bengelende reservoir onder zijn mond nog meer. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin.

‘Daar waar die grijze Peugeot altijd vóór de deur staat?’

‘Die grijze wat?’

‘Die grijze wagen, met een flinke deuk in de motorkap?’

Ja, daar woon ik!’ juichte ze, ‘en ik zit altijd boven bij het raam als je...’

‘Waarom heb je me dat niet onmiddellijk verteld? Jullie brievenbus is oké hoor!’ En hij waggelde op zijn hurken dichterbij.

Ze liet zich nu opnieuw achterover vallen. Omdat ze pal in het felle zonlicht keek, moest ze eventjes haar ogen sluiten. Zo slecht als mama gewaarschuwd had, was die Kris nu ook weer niet. Hij was verlegen, hij had wat tijd nodig om je beter te leren kennen.

‘Misschien neem ik je op een vrijdag wel eens mee,’ klonk de schaduw plotseling boven haar.

Verrast gluurde ze door haar wimpers. Ze had wel kunnen kraaien van de pret. Hij was boven haar komen te zitten als op een schommelpaard. Gelukkig steunde hij op zijn knieën.

‘Echt?’ Ze kon het bijna niet geloven. ‘Maar hoe zwaar wegen die boekjes? Want veel zal ik er niet kunnen dragen.’

‘Hoeft niet,’ haalde hij zijn schouders op, ‘dat doe ik wel. Jij mag ze in de bus stoppen.’

‘Dat is lief van je.’ Alweer zo’n mama-imitatie.

‘Moeten we dan niet eerst vragen aan je mama of het mag?’ piekerde hij. ‘Wie weet wil ze mij eerst niet even ontmoeten?’

‘Ja, dat is waar ook.’ Mama zou het niet vertrouwen. En om haar ervan te overtuigen dat die Kris in feite een brave jongen was? Dat lukte zomaar niet.

Ze beet op haar onderlip.

‘Of aan papa!’ riep ze enthousiast. Die zat met zijn gedachten meestal ergens anders als je hem iets vroeg, en weigerde bijgevolg nooit iets.

'Wat is het beroep van je vader eigenlijk?’ vroeg hij droog. ‘Telkens als ik het einde van de straat nader, zie ik hem haastig wegrijden.’

Ze glunderde. ‘Mijn papa is een platenspeler! Hij speelt platen als de mensen een feestje geven.’

Hij schaterde. De scherpe walm die uit zijn mond ontsnapte deed haar naar adem happen. Het rook naar vis, of zoiets. Ze kuchte. Tussen de gele stompjes plakten hier en daar nog wat etensresten. Het was vast weken geleden dat hij nog eens zijn tanden had gepoetst.

En waarom lachte hij zo uitbundig?

‘Zit je mama dan de hele avond alleen?’ vroeg hij toen hij eindelijk gekalmeerd was. Langzaam gleed zijn hand in zijn broekzak.

‘Ik ben toch bij haar?’

‘Ja natuurlijk, maar dat is toch niet hetzelfde? Ik bedoel...’

‘Toch wel,’ hield ze vol, ‘mama verveelt zich nooit bij mij.’

‘Wat doen jullie dan?’

‘Eerst spelen we spelletjes in bad, en daarna klim ik op het handdoekenkastje en sta op wacht. ‘Kris is er!’ roep ik dan en mama – die nog in bad zit – moet raden of ik lieg of niet. Maar zij wint bijna altijd, want als jij voorbijrijdt, word ik zo zenuwachtig... En daarna spelen we verstoppertje in het hele huis...’

Zijn oogleden zakten halfdicht. Hij keek zoals papa als die bier gedronken had.

‘Kruip jij samen met je moeder in bad?’ fluisterde hij ongelovig terwijl hij hevig in zijn broekzak begon te friemelen. Misschien had hij zijn knikker verloren.

‘Natuurlijk, doe jij dat nooit?’ Het verwonderde haar dat ook hij domme vragen kon stellen.

Hij schudde van nee. ‘Is dat leuk?’

‘Ja hoor, mama kietelt mij dan voortdurend en...’

‘En kietel jij je mama dan ook?’

‘Wel ja, dat is precies ons spelletje. Wie het eerst "stop" roept  omdat hij het niet meer kan uithouden, heeft verloren en moet de andere wassen.’

Wat scheelde er hem eigenlijk? Luisterde hij wel? Ofwel zat hij te schommelen, ofwel kon hij niet van die schroevendraaier afblijven, ofwel  – zoals nu – schokte zijn bovenlichaam hevig op het ritme van zijn hand. Er was altijd iets met hem.

‘En als je wint,’ hijgde hij, ‘glijdt je waslap dan overal overheen?’

Ja, moest het antwoord luiden. Maar haar keel schroefde dicht. De beklemmende hitte die ze al die tijd vergeten was. Dat moest het zijn. Parels zweet rolden langs haar klamme slapen. Haar lippen plakten aan elkaar.

‘Je hoeft niet bang te zijn,’ suste hij, ‘vertel het mij eens rustig: smeer jij je mama overal in met badschuim?’

‘Dat mag ik niet zeggen,' bloosde ze. Haar stem zat nog steeds gewrongen in een klem die haar verhinderde om ongedwongen verder te vertellen. Schrik? Waarom dan? Die ogen misschien, die hand, die kronkelende onderbuik...

‘Echt niet?’ drong hij aan.

‘Waarom doe je dat?’ wees ze geprikkeld naar zijn broekzak.

‘Ik heb jeuk,’ lachte hij, ‘dat is jou toch ook overkomen daarstraks? Vervelende zonnebrandolie.’

Hij hield haar voor de gek! Hij loog!

Ze moest weg zien te raken, zo vlug mogelijk!

‘Dus na het bad speel je verstoppertje,’ hield hij haar tegen met zijn andere hand, ‘en wat spoken jullie dan nog samen uit?’

‘Slapen,' antwoordde ze eerst kort maar omdat hij toch het hele verhaal zou willen horen: ‘Mama ligt bij me in bed tot papa thuiskomt. Ze leest. Meer weet ik niet want ik val al heel vlug in slaap.’

‘Leest ze dan in mijn boekje?’ vroeg hij opgewonden.

‘Soms... Mag ik nu die knikker eens bekijken?’ dan hield hij eindelijk op met schokken.

‘Straks,’ beloofde hij, ‘straks krijg je hem en kun je hem bekijken zo lang je maar wil.’

‘Nee, nu!’

‘Goed, als je dan maar rustig blijft.’

De knikker bevond zich in zijn andere broekzak. Hij was witgeel geschilderd en er liepen rode, harige strepen op.

‘Hoe vind je hem?’ Hij liet hem flikkeren in het zonlicht. Hij sprak traag, doordringend. Je mag hem houden als je mij...’

‘Nee, ik wil hem niet. Ik wou alleen maar even kijken. Ik zou niet weten wat ik ermee kan doen.’

‘Oh, van alles. Meer dan je ooit durft dromen. Het is geen gewone knikker. Ik vertel het niemand, alleen jij mag het weten. Het is een wonderknikker. Miljoenen jaren oud.

Mijn vader werkt met een kraan. Hij graaft meters diepe putten in de grond. En elke maand haalt hij iets speciaals boven. Hij zwijgt, hij zegt niemand iets. Hij stopt alles in zijn knapzak. Hij fluistert tegen moeder. Hij fluistert tegen de kerel die de dingen ophaalt en er pakken geld voor op tafel legt.

En ik doe alsof ik niets hoor, alsof ik dom ben, alsof ik met mijn vliegtuigen speel.

"De grond zit vol," zei vader laatst nog, "de grond zit vol met vreemde dingen."

"Ik weet het,", lachte de kerel. Hij kan uren vertellen over tovenaars, over mirakels van vroeger.

En ik zet mijn oren open en ik lees verhalen die het nog beter weten dan hij.’

Friekes mond viel open maar ze worstelde met zijn verhaal, ze vocht tegen haar eigen verwondering, haar brandende nieuwsgierigheid.

‘Ik wist dat er ook hier iets zat,’ ging hij door, ‘ik wist het. Die schroevendraaier is een prul. Maar die knikker, daar krijg je geld voor. Als je hem pal in de zon houdt, en als je er lang genoeg over wrijft en er heel krachtig in staart, dan zie je dingen die je anders niet ziet.

Dan kijk je dwars door alles heen. De worm onder je hand, de paling in het slijk, de muis in haar hol, de mol in je buik, de spleet in de nacht, de bodem van de zee, de billen in een rok, de vinger in je mond, het slijm onder je tong: er is niets dat je ontgaat.

En weet je hoe die knikker heet?’ Hij was buiten adem. Zijn hand vertraagde. ‘De navel van Maria, noem ik hem. Als je erin kijkt, gluur je door het sleutelgat van de zevende hemel. Hier, probeer het maar eens. Je zult je ogen niet geloven.’

‘Nee, ik wil niet naar de hemel. Als je in de hemel bent, moet je in een put onder de grond zoals opa. En dan heb je pijn en val je op je hoofd en word je geel en word je koud en schreeuwt mama tot je…’

‘Hou je kalm!’

‘Je maakt me bang!’

Zijn vissenogen stonden zo goed als stil. Je kon van alles lezen in zijn blik. Opwinding, wrevel, woede, zelfs een beetje angst.

Nu slaat hij me dood, dacht ze. Hij gooit me in de beek. Hij stampt me bont en blauw.

Maar hij probeerde een glimlach. Zonder het echt te laten blijken, hield ze zijn onderbuik in het oog. Het was alsof hij iets begon te kneden.

‘Je hoeft met dat ding niet naar de hemel. Je kunt er ook gewoon níets mee doen. Je stopt het enkel in je zak. Het is lekker glad. Dat voelt heerlijk aan.’

‘Ik heb geen broekzak in mijn zwembroek.’

‘Dat is geen ramp, je kunt het ook nog voor iets anders gebruiken.’ Zijn kin vertrok in een grijns terwijl hij met de koude knikker achter haar oor begon te spelen.

‘Dat kriebelt. Hou op.’

Een half uurtje.

‘Precies,' lachte hij geheimzinnig, ‘het kriebelt. Ik dacht dat jij zo van kriebelen hield?’

Ze probeerde zijn arm weg te duwen. ‘Niet met zoiets.’

Een half uurtje. Niet langer. En niet ver. Alleen het blokje omrijden.

‘Maar je houdt van spelletjes, heb je me toch net verteld?’

Dat kon ze niet ontkennen. ‘Ja, maar nu...’

‘Laat ons dan een spelletje golf spelen.'

'Dat ken ik niet.’

Als je de Pelikaan tegenkomt…

‘Ik leg het je wel uit. Zo moeilijk is het heus niet hoor. Kijk ze slaan een balletje weg en het…’

‘We hebben geen balletje, alleen een knikker.’

‘Dat maakt niets uit, hiermee lukt het ook wel.’

‘Mijn mama wacht!’

De hand in zijn broekzak hield even stil.

‘Wees niet zo ongeduldig. Je hebt nog een zee van tijd, zie ik. Zeker nog tien minuten.’

‘En toen ik hier aankwam, schreeuwde je dat ik vlug naar huis moest rijden…’

‘Oh, maar dat bedoelde ik allemaal zo niet. Ik was een beetje slecht gehumeurd,' gaf hij met een heilig gezicht toe. ‘Hoe zou je zelf zijn. Een hele ochtend roeren en dan alleen een paar stomme dingen bovenhalen.’

‘Waarom wil je dan voortdurend met die knikker spelen, als je hem toch zo is stom vindt?’

‘Wel, omdat jij zo van spelletjes houdt. Ik doe het even voor, kijk. We slaan op het balletje...’

Terwijl zijn ene hand de knikker traag  over haar glanzende buik liet glijden, begon de andere hand in zijn broekzak weer te dansen.

‘Het balletje hotst en botst... en hop!’ Na een paar cirkelbewegingen duwde hij de knikker in haar navel.

‘Ik vind het niet zo leuk,' merkte zij voorzichtig op. Het was alsof zijn veel te lange nagels haar gespannen huid elk ogenblik zouden doorboren.

‘Dat is normaal, het wordt pas echt leuk bij de tweede beurt,’ stelde hij haar gerust.

Deze keer rolde de knikker naar haar onderbuik.

‘Ik wil naar huis,’ smeekte ze.

‘Wacht nog even tot het einde, dan kun je vrijdag het spelletje met je moeder eens overdoen. Zij kent het ongetwijfeld ook wel.’ En vóór ze het echt goed besefte, lag haar zwembroekje op haar knikkende knieën en scheurde de binnendringende knikker haar onderbuik.

‘Mama had gelijk!’ gilde ze, ‘je bent een viezerik! Een grote viezerik!’

‘Heeft zij zoiets over mij gezegd?’ ontplofte hij.

‘Ja, een vuile smerige viezerik! Dat zei ze. En laat me nu los, je doet me pijn met die knikker. En ik moet naar huis!’

‘Hoe durft ze? Waar haalt zij het lef om zoiets uit te kramen? De slet! Jouw moeder is een gemene slet, hoor je me? Een geile hoer! Als ik op het einde van de maand mijn geld ophaal, betaalt ze me altijd veertig frank te veel. Niet toevallig, niet uit verstrooidheid, niet zomaar één keer omdat ze geen gepast geld klaar heeft. Nee, elke maand die verdomde veertig frank te veel. Ze doet dat met opzet. En weet je waarom? Omdat ze mij wil kopen! Omdat ze me wil hebben. Omdat ik haar moet nemen! Meer dan vijfhonderd frank heeft ze me op die manier al te veel betaald! Als ze naast jou met een boekje in bed ligt en jij eindelijk in slaapt valt, sluit zij haar ogen en droomt ze dat ik op haar kruip en in haar dikke tieten knijp en aan haar stijve tepels zuig en haar billen lik en alles wat er tussen ligt en rij en spuit tot ze zelf bezwijkt. En zij tegen jou dan maar beweren dat ik de viezerik ben. Terwijl ze zelf, de hoer, terwijl ze zelf haar kont niet kan bedwingen en mij...’

Frieke rukte en stampte uit alle macht, maar met zijn zware elleboog op haar borst kon ze onmogelijk overeind komen. En om hulp roepen was ook een hopeloze onderneming. De woonwijk lag te veraf en bovendien zette mama altijd de radio op als ze in de keuken bezig was.

Steeds dieper drong de knikker in haar binnen. Ze zette zich schrap, spreidde haar vingers, spande al haar spieren, zoals bij de dokter als die zei dat het helemaal geen pijn zou doen. Angstvallig groeven haar nagels in de zwarte aarde om steun.

De verwijten die hij onophoudelijk in haar gezicht spuwde, verstond ze niet meer. Het waren slechts de rauwe onsamenhangende kreten van een woeste pelikaan.

Adem! Ze snakte naar adem! Haar longen werden geplet. En die ondraaglijke pijn beneden! Schokkend van uitputting gleden haar armen naar beneden, haar rug plakte tegen de grond.

Kwam er werkelijk nooit iemand voorbij, al was het maar een vriendinnetje? Of misschien was mama haar inmiddels al aan het zoeken? En omdat de toppen van haar vingers plotseling rechts van haar  een lang, fijn maar hard voorwerp voelden, verdubbelde de hoop dat ze zou kunnen ontsnappen uit haar benarde situatie.

Even wachten, fluisterde papa altijd. Als je hem wilt vangen, mag je niet bewegen. Hou je stil tot hij rustig wordt. Een ogenblik maar, meer heb je niet nodig.

 

Toen de Pelikaan even later met uitgestrekte hals en met wijd gespreide ellebogen dat ene ogenblik boven haar stil hing, klaar om te landen, raapte ze al haar moed bij elkaar en sloeg toe.

Heel in de verte smoorde het bos de kreten van de Pelikaan. Pas nadat een opborrelende luchtbel haar verzekerde dat het helemaal stil geworden was, opende ze versuft haar ogen en staarde minutenlang naar de matte witgele knikker die op de punt van de schroevendraaier stak. De rode, harige strepen stroomden langzaam naar beneden en kleurden haar hand en haar navel.

 

*** TOELICHTING ***


Dit verhaal is gepubliceerd in april 1991 in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort. Frank Adam werd daarmee de winnaar van de Rabobank Lenteprijs 1992, later Nieuw Proza Prijs geheten.

Uit het juryrapport:

“‘De knikker van de Pelikaan’ heeft een efficiënte en evenwichtige opbouw, toegespitst op het conflict tussen twee heel verschillende personages: een veertienjarige jongen en een zesjarig meisje. Frank Adam is erin geslaagd een spannend en mooi afgerond verhaal te schrijven. De behandeling van het zeer jeugdige perspectief en de daarbij passende vermakelijke dialoogtrant getuigen van vakmanschap.”

 

“De Rabobank Lenteprijs, een literaire onderscheiding die jaarlijks in Tegelen wordt uitgereikt aan een beginnend auteur, is een Vlaamse triomftocht. Van de vier keer dat de prijs werd uitgereikt, ging hij drie maal naar een zuiderbuur. Gisteravond was dat [na Rita Demeester en Wim Neetens] de Vlaming Frank Adam.” (Dagblad voor Noord-Limburg, 28 maart 1992) 




#NieuwProzaPrijs#Vlaming#jeugd

Leesuur.nl is een idee van Theo Knippenberg